Geschiedenis
Een korte historie van de Roze Filmdagen, vanaf 1996 tot nu
In
1986 en 1991 vond het Internationale Gay and Lesbian Filmfestival
Holland plaats, groots opgezet omdat het een vijfjaarlijks evenement
betrof. De Roze Filmdagen ging in 1996 van start toen bleek dat er geen
derde editie van het IGLFH zou plaatsvinden. De eerste editie van de
Roze Filmdagen Amsterdam vond plaats in juni 1996 in Filmhuis Cavia en
Filmtheater Rialto. Een aantal medewerkers van de beide theaters vond
het hoog tijd dat er weer eens een specifiek festival met speelfilms en
documentaires over homo's, lesbo's, travo's en transo's plaatsvond.
Hoewel er in Nederland relatief een groot aantal films met homo’s en
lesbo’s uitgebracht werden in de reguliere bioscopen, waren er volgens
de organisatie een flink aantal films en documentaires blijven liggen
die zelden of nooit in Nederland te zien waren geweest. Het aanbod van
interessant werk was in de loop der tijd toegenomen en vooral qua korte
films waren er veel keuzes te maken.
Met een klein budget en
beperkte middelen (denk aan een op Word Perfect gemaakt
programmablaadje) werden in 4 dagen onder meer films vertoond van Tom
Kalin, Gregg Araki en Sadie Benning. De Roze Filmdagen werden
symbolisch gepland rond de jaarlijkse herdenking van Stonewall en de
Gay Pride. Een bijzondere gast op de eerste editie was de Servische
regisseur Zelimir Zilnik die in Belgrado gedurende de Balkanoorlog de
film Marble Ass
had gedraaid over een drag-prostituee die in de chaos probeerde te
overleven. Zilnik werd geïnterviewd door Ab van Ieperen voor Vrij
Nederland wat een mooi artikel opleverde. Tegelijkertijd was er ook een
vertegenwoordiger van de Servische homobeweging in Amsterdam aanwezig
die de grotendeels ondergrondse scene toelichtte.
De 2de editie
werd in 1997 groter opgezet. Subsidie werd aangevraagd en een tour door
Nederland van een aantal titels betekende dat een groter publiek de
films kon zien zonder naar Amsterdam te hoeven afreizen. Naast 10
steden in het land werd ook de net gestarte Cinema de Balie betrokken
bij het programma. De vertoonde films bevonden zich inhoudelijk ergens
tussen politieke statements en cultureel verantwoorde producties met
(of zonder) humor die niet iedere bezoeker op prijs zal hebben gesteld.
De Roze Filmdagen heeft altijd een eigenzinnige keuze gemaakt uit het
aanbod waarbij we altijd goed hebben gekeken naar een aanvullend
programma buiten hetgeen je in de bioscoop, televisie en videotheek kon
zien.
Dat de (hetero)pers dit niet altijd deelde is een
blijvende typering die door ‘buitenstaanders’ is gemaakt. Waarom een
apart festival voor homo’s, lesbo’s etc? Bestaat er zoiets als een
homofilm? De Roze Filmdagen zijn er altijd van uit gegaan dat het leuk
is om samen films te kijken en dat er niet zoiets bestaat als een
homofilm maar dat films interessant kunnen zijn voor homo’s en lesbo’s.
En dat we daarbij niet altijd de makkelijke keuzes gemaakt hebben maar
kozen voor artistiek en cinematografisch verantwoorde producties. En de
geïnteresseerde ‘hetero’ is altijd welkom geweest om voorstellingen bij
te wonen wat ook geregeld voorkwam.
Ook subsidiënten door de
jaren heen hebben vaak vergelijkbare vragen gesteld. Men ging ervan uit
dat de emancipatie van homo’s en lesbo’s voltooid was en dat dus de
noodzaak voor een ‘eigen’ festival minder groot zou zijn. Keer op keer
heeft de organisatie ook deze vooroordelen moeten weerleggen en
achteraf gezien dus terecht. Want blijkbaar heeft de positie van
niet-hetero’s zich helemaal niet zo best ontwikkeld in de laatste jaren
en worden er meer gevallen van discriminatie en geweld gemeld.
Dat
er ook porno werd vertoond zal sommige mensen wellicht verbaasd hebben
maar dit is vanuit de organisatie ook een specifieke keuze geweest. Wat
is leuker dan in een bijzonder zweterig volgepropt zaaltje te kijken
naar een (min of meer) verantwoorde erotische film voor dames of heren.
Maar ook de vertoning van de eerste transgender porno in 1998 leidde
tot gemengde reacties. Tijdens de vertoning van Alley of the Tranny
Boys liep een groot gedeelte van het publiek weg. Of de
taboedoorbrekende aard van de film mensen wellicht te ver ging bleef
onduidelijk.
In 1998 besloot de organisatie om het festival naar de maand november te verhuizen. De maand juni bleek toch vaak vakantie en weertechnisch niet de maand te zijn waarin de meeste potentiële bezoekers te bereiken waren. Dit was ook het jaar dat Filmtheater Rialto afviel als vertoningsplek in Amsterdam vanwege personele veranderingen en dat de reguliere Rialto-programmering veel festivals per jaar onmogelijk maakte.
In 2001 werd voor het eerst (en tot dusver het laatst) een editie overgeslagen. Aanvankelijk was het idee ontstaan om het festival om het jaar te organiseren omdat een jaarlijks festival veel energie en tijd kost om te organiseren. Maar vanwege de reactie van het publiek die een jaarlijks festival erg op prijs stelden, is besloten de Roze Filmdagen afwisselend in een grotere en een kleinere editie te laten plaatsvinden. Zodoende werd in 2003 het kleinere programma Roze Filmdagen goes Nordiq gepresenteerd en in 2005 Een lang weekend van de korte Roze Film.
Tijdens de grotere edities stonden vaak ook specifieke thema’s centraal die door de organisatie urgent of interessant gevonden werden. In 2002 onder meer Het Onafwendbare Noodlot en Gay Arab, in 2004 Femmes en révolte en We’re not Urban. Sinds 2000 is de programmering van van een flink aantal thematische programma’s met korte films (onder pakkende titels zoals Schooljongens en Indiegirls) uitermate succesvol te noemen.
Kritiek op de Roze Filmdagen komt vaak neer op de vraag waarom men niet wist dat het festival er was en dus de conclusie trekt dat de publiciteit slecht is en waarom het festival altijd in van die kleine bioscoopjes met slechte stoelen plaatsvindt. Publiciteit is altijd een van de belangrijkste aandachtspunten geweest maar het is eenvoudigweg onmogelijk iedereen op de hoogte te stellen. Toen bij de editie van 2004 zelfs posters op driehoeksborden en zuilen door de hele stad hingen en op de monitoren in de trams ieder kwartier de Roze Filmdagen langs kwamen bleken mensen het festival gemist te hebben.
Dat de Roze Filmdagen nog steeds in kleinere bioscopen als Cavia, de Balie en het Filmmuseum plaatsvindt heeft te maken met het feit dat er in Amsterdam niet veel keus is tussen filmhuizen met gemiddeld 130 stoelen en een Pathé-theater dat in zijn geheel moet worden afgehuurd. De afwisseling van grotere publieksfilms en kleinere art-house producties is te riskant om hiervoor het City theater af te huren en is bovendien erg duur. Daarnaast was het mogelijk om in een schoenendoos als Filmhuis Cavia een leukere en intiemere sfeer te creëren.
Maar dit is eindelijk veranderd! Vanaf 2010 vinden de Roze Filmdagen plaats in twee locaties, en per avond steeds maar op één locatie. Het openingsweekend zal in de Openbare Bibliotheek Amsterdam plaatsvinden, en daarna verhuist het hele festival naar Het Ketelhuis op het Westergas-terrein. Dat betekend dat we meer vertoningen kunnen aanbieden, en dat er makkelijker een festival-sfeer gecreeerd kan worden. Op beide locaties zijn ook uitgebreide horeca-mogelijkheden; een hapje of drankje voor, tussen of na de voorstellingen was nog nooit zo makkelijk.
Tenslotte is het organiseren van een festival niet mogelijk zonder de inzet van vele mensen en organisaties. Elke editie is tot stand gekomen door de belangeloze bereidheid van vrijwilligers en enkele tijdelijke krachten waarbij vele organisaties door middel van subsidies of giften en sponsoring het festival financieel mogelijk hebben gemaakt. En natuurlijk ook door de bezoekers die toch altijd weer komen opdagen en soms teleurgesteld worden maar toch heel vaak tevreden het festival verlaten. De 13de editie die dit jaar plaats zal vinden wordt hopelijk beter, spannender en groter dan ooit waarbij alle hulp altijd welkom is.
David Teigeler

